The quick brown fox jumps over the lazy dog

overheidsjuristen

1 februari 2017

Trainee aan het woord: Gideon van Meijeren


Gideon van Meijeren zit in het 2e jaar van de traineeopleiding tot wetgevingsjurist. Hij werkt bij de directie Constitutionele Zaken en Wetgeving (CZW) van BZK. We vroegen Gideon naar zijn ervaringen.

Hoe ben je bij de Academie beland?
Tijdens mijn studie Rechten aan de Radboud Universiteit raakte ik geïnteresseerd in wetgeving. Hoe komt wetgeving tot stand en wat gebeurt er achter de schermen? Op de faculteit in Nijmegen hoorde ik vrijwel niemand over het vak van wetgevingsjurist of over de Academie. Door te zoeken op internet ontdekte ik de traineeopleiding.

Je bent nu 1,5 jaar trainee, met welke verwachtingen begon je en hoe bevalt het?
Tijdens mijn studie noemde een docent CZW weleens “de crème de la crème voor staatsrechtjuristen”, ik was dus blij dat ik daar aan de slag kon. De directie is opgedeeld in vier afdelingen, ik werk bij Wonen en Rijksdienst. Met die onderwerpen had ik nog geen affiniteit, maar het blijkt een hele goede plek om het vak te leren. Na de kennismaking met mijn patroon gaf hij me direct een eigen dossier: de Woningwet moest op een aantal punten worden gewijzigd. Ik werd op sommige vlakken in het diepe gegooid, maar besprak mijn werk wekelijks met mijn patroon en kon ook daarbuiten met vragen bij hem terecht. Aan de Academie volgde ik ondertussen het vak Wetgevingstechniek, deze kennis kon ik gelijk in de praktijk toepassen.  

Wat maakt de traineeopleiding waardevol?
Met name de vaardighedentrainingen zoals presenteren en onderhandelen vind ik interessant. Ook heb ik veel aan de vakken die zijn toegespitst op de wetgevingspraktijk, bij lastige punten in een dossier op mijn werk pak ik nog weleens mijn collegeaantekeningen erbij. Vanuit sociaal oogpunt vind ik het optrekken met andere trainees erg leuk. Ook handig: doordat we op verschillende werkplekken zitten, ontstaat er als vanzelf een interdepartementaal netwerk.

Wat was een belangrijk leermoment?
Een belangrijk leermoment ondervond ik toen ik me eens moest verdiepen in een bepaling over de wooncoöperatie. Ik kwam erachter dat de wooncoöperatie volgens de terminologie van het Burgerlijk Wetboek geen coöperatie, maar een vereniging is. Omdat dit mogelijk verwarring kan veroorzaken en de Woningwet toch moest worden aangepast, stelde ik voor om dit punt ook maar meteen mee te nemen.  Een ervaren collega wees mij er toen op dat het politiek gevoelig lag om aan het woord “wooncoöperatie” te sleutelen. Oud-senator Duivesteijn maakte zich er juist hard voor om de wooncoöperatie een plek in het woonbestel te geven, het woord had dus een politieke lading. Een voorstel kan weliswaar juridisch juist zijn, maar een wetgevingsjurist moet ook altijd rekening houden met de politieke en bestuurlijke realiteit.